De bank, net als de twee sofa’s overtrokken met een patroon van pioenrozen, staat samen met vier eetkamerstoelen en vijf klapstoeltje van zolder in een grote kring. Op de salontafel in het midden staan hapjes. Plakken leverworst, in salami gerolde augurk, gemberbolletjes op kaasblokjes. Tussen de hapjes glazen wijn, bier en whisky. Ik zet de bijna lege fles wijn terug in de koelkast. Onderin, op de glazen plaat, liggen zes flesjes rivella. Het favoriete drankje van  Sebastian.

Met een vol glas wijn ga ik op een klapstoeltje in de kring zitten. De tv staat aan, het geluid zacht. De wangen van mijn vader zijn rood en zijn ogen een beetje waterig. Mijn moeder nipt van een glaasje vruchtenwijn en giechelt om iets wat wordt gezegd. Straks is er soep, de twee pannen staan al op een laag vuurtje. Groenten- en tomatensoep met broodjes. Mijn weekendtas staat boven in de logeerkamer op het bed met de roze dekens. Mijn oude kamer.

Ik krijg een beetje de kriebels van de gesprekken om me heen en vlucht door het wollige vliegengordijn in de keukendeur naar buiten. Daar steek ik een sigaret op. Het is mijn eerste vandaag en de stoot nicotine maakt me licht in mijn hoofd. Sebastian vind het maar niks dat ik weer rook en natuurlijk moet ik hem gelijk geven. Het heeft me heel wat moeite gekost ervan af te blijven. Het koste me veel minder moeite er weer mee te beginnen.

Uit de tuinen om me heen komen zomers geluiden. Kinderen spelen luidruchtig met water. Verderop wordt het gras gemaaid en ergens uit een radio komt de stem van Adele. De buren hiernaast praten zachtjes met elkaar en ik blaas mijn rook de andere kant op.

Iets meer dan een half jaar geleden stond ik hier ook, in de vrieskou, samen met mijn ouders en Sebastian. De heldere nacht werd opgetuigd door uit elkaar spattend siervuurwerk. Sebastian nam zich voor vaker te gaan squashen, mijn vader wilde vaker op vakantie en mijn moeder sloot zich daarbij aan. Sebastian tikte zijn flesje rivella tegen mijn champagneglas en trok me tegen zich aan.
Ik nestelde me onder zijn kin en in zijn armen en besloot in stilte alles te gaan doen wat niemand van mij verwacht.

Ik heb mezelf overtroffen.

In de liefde was ik een laatbloeier. Als ik mijn ouders moet geloven, en dat doe ik, was ik een stil en ernstig kind. Ik was ook een ernstige puber en jongvolwassene. Feestjes waren niet aan mij besteedt en hoewel ik rookte als een ketter, ik dronk zelden. Op dezelfde manier gleed ik door mijn studententijd. Ik woonde nog steeds bij mijn ouders toen ik een baan vond bij een grote Nederlandse bank. Pas toen mijn positie daar verzekerd was kocht ik een appartement midden in de stad en pas toen ging ik een beetje om me heen kijken. Ik was bijna dertig en nog steeds maagd. Om me heen viel iedereen voor elkaar. Vrienden werden een setje, collega’s liepen plotseling hand in hand en het meisje van de Starbucks stond vurig te zoenen met een knul van de beveiliging. De lucht zoemde en gonsde, bij mij gebeurde niets. Ik viel nog steeds voor niemand.

De dag dat ik Sebastian tegenkwam was het warm, zonnig nazomer weer. Het jasje van zijn pak hing nonchalant aan zijn wijsvinger over zijn schouder. Hij had zijn stropdas wat losser getrokken en de mouwen van zijn witte overhemd opgerold tot boven zijn ellebogen. Zijn huid was licht, net als zijn ogen en bezaaid met sproeten in de kleur van nat zand. Het viel me op dat zijn rechterarm net iets zwaarder en gespierder dan zijn linker was. Later zou ik leren dat dit door het squashen kwam. Achteloos streek hij een koperkleurige lok haar uit zijn gezicht en met een lach pakte hij mijn uitgestoken hand. Misschien viel ik toen een klein beetje voor Sebastian.

We gingen een hapje eten. Twee maanden later vroeg hij me ten huwelijk. Dit tot grote vreugde van mijn ouders. Sebastian werd de zoon die ze nooit kregen.

Zijn warme, voorspelbare ritme werd dat van mij. We kookten samen, lazen elkaar voor uit onze favoriete boeken en hij leerde me squashen. Mijn maagdelijkheid verloor ik pas toen we ruim een jaar samen waren. Allebei vonden we dat het er maar eens van moest komen en als ik heel eerlijk ben, het viel me tegen. Het plezier, de hartstocht en zelfs de pijn, alles was minder dan ik had gedacht. Ik vroeg me serieus af waarom iedereen er zo lyrisch over deed. Het veranderde niets aan ons huwelijk. Het was fijn. Saai misschien, maar fijn. Ik hield van Sebastian. Ik hou nog steeds van hem. Ook nu de scheidingspapieren boven in mijn weekendtas wachten op mijn handtekening. Sebastian is mijn beste vriend. Hij is de broer die ik nooit had.

De stem van moeder waait naar buiten. ‘Sas, let je wel op de soep!’
Ik druk mijn sigaret uit in de aarde van de geraniums voor het raam, ga naar binnen en roer in de geurige pannen. Het geluid van de tv gaat harder. Iedereen in de kring wendt zijn gezicht naar het scherm en de gesprekken vallen stil. De presentator neemt het over met het belangrijkste nieuws van vandaag.

Twintig doden bij een schietpartij in Texas. Honderdend arrestaties bij protesten in Moskou. Overlast voor treinreizigers door ingrijpende werkzaamheden op het spoor. Max verstappen in Grand Prix Hongarije voor de eerste keer op Pole. Maar nu eerst; Heel veel regenbogen op een kleurrijke Canal Parade in Amsterdam. We schakelen over naar Ellie Lust en Rik van Westelaken.

Mijn tante, de zus van mijn moeder, kijkt met een vies gezicht naar het scherm. ‘Waarom moet dat toch altijd zo extreem.’ Het valt stil, maar aan de knikkende hoofdbewegingen van de overige aanwezigen zie ik dat iedereen het met haar eens is. Ik kan al invullen hoe anderen inhaken op haar opmerking. Mijn oom, van mijn vaders kant, buigt naar de tafel voor een zoveelste blokje kaas met gember. Hij stopt het in zijn geheel in zijn mond en kauwt nadrukkelijk terwijl hij over zijn ronde buik wrijft. Tussen de knopen van zijn overhemd begint de stof te wijken en ik kan bijna voor me zien hoe ze één voor één van zijn shirt afspringen en weg stuiteren over het glanzende laminaat. Ook hij knikt. ‘Precies, dat soort mensen bewijzen maar weer eens dat hier in Nederland de acceptatie veel te ver is gegaan. Begrijp me niet verkeerd, binnenkamers moet iedereen natuurlijk doen en laten wat ‘ie wil, maar ik hoef er geen getuige van te zijn.’

Hoewel ik beter weet, open ik toch mijn mond. ‘Het is een parade. Alles wordt uitvergroot, zo gaat dat met feesten. Misschien ga ik volgend jaar ook wel.’
Alle ogen glijden van de televisie naar mijn gezicht. ‘Dat meen je niet!’ Mijn tante oogt oprecht geschokt. ‘Die gasten staan daar alleen maar om de boel te choqueren en daar wil jij tussen staan!? Moet je kijken, er is zelfs een boot voor de brandweer. Die mannen hebben toch wel iets beters te doen, zou je zeggen? En daar,’ ze wijst naar het scherm, ‘een seniorenboot, mijn hemel, ik moet er niet aan denken!’
Ik schud mijn hoofd. ‘Het is een optocht en die mensen zijn vrolijk. Ze vieren feest. Ergens is het ook een statement, de acceptatie is in Nederland echt nog ver te zoeken. Natuurlijk is het over de top, maar niet anders dan een feest als bijvoorbeeld carnaval of is dat ook om te choqueren.’
Een andere tante schudt misprijzend haar hoofd. ‘ Dat is anders en dat is leuk om naar te kijken, om aan mee te doen ook. Vroeger ging ik ook naar het carnaval.’ Ze giechelt. ‘Dat waren nog eens tijden, toch Herman?’
Ze geeft haar man een duwtje tegen zijn been, hij draait aan de punten van zijn snor en staart gebiologeerd naar het tv scherm. Ze giechelt nog een keer en schraapt dan haar keel. ‘Maar ik ben het met mijn man eens.’ Ook haar blik blijft weer hangen op de televisie. ‘Die types daar,’ haar neus krult mee onder haar afkeurende blik, ‘ik accepteer dat heus wel. Ze moeten doen wat ze niet laten kunnen, maar ik hoef het niet te zien.’
Ik zucht diep. ‘Dat is geen acceptatie, dat is tolerantie. Het mag zolang u er geen last van heeft en dat is precies het probleem.’

Oom Herman neemt een slok van zijn bier. Er blijven witte schuimdruppels aan zijn snor hangen en hij knikt met glimmende oogjes naar het scherm. ‘Ik heb er geen last van. Sterker nog, ik kijk er graag naar. Moet je die griet zien, wat een prammen.’
Mijn tante geeft hem een stomp en kijkt naar het scherm. ‘Als je dat dan zo graag een keer mee wil maken, Saskia, misschien moet je er heen gaan. Zo te zien wordt je gemist.’

Er wordt wat besmuikt gelachen. Mijn ouders lachen niet mee, ze kijken zelfs niet naar het scherm, wel naar mij. Mijn moeder trekt een zuinig mondje, mijn vader knipoogt. Ik staar naar de tv en naar de vrolijke botenparade. Het beeld gaat langzaam langs de feestvierende mensen. De vrouw op kade glijdt bijna uit beeld. Ze zwaait enthousiast naar de camera en houdt een stuk karton met donkerroze letters omhoog.

Ik mis je Saskia. Wish you where here. Ik hou van jou!

Het was op een training, begin februari. Ik hou van trainingen. Even weg van mijn vaste werkplek. Nieuwe gezichten, nieuwe verhalen. Zij viel op. Hoe zeg je dat? Een sprankelende persoonlijkheid. Ze nam de hele ruimte in beslag. Praatje hier, praatje daar, vrolijk. Dezelfde lichte huid als Sebastian, dezelfde zandkleurige sproeten, ook in haar decolleté. Vast ook op haar buik, haar heupen, haar billen. Haar koperkleurige krullen dansten bij iedere beweging.

Tijdens de lunch zat ik bij haar aan tafel en ik ging met haar mee naar buiten toen ze ging roken. Ik nam de sigaret die ze me aanbood aan en verdronk in alles van haar. Haar ogen, haar lach, haar manier van praten. Na de training stonden we nog even bij mijn auto en ik hield haar aan de praat omdat ik niet wilde dat het voorbij was. Ik hield mijn adem in toen ze dichtbij me kwam staan en ze lachte hees.

‘Nee, ik ga je hier niet kussen, laten we het professioneel houden, maar hey …’ Ze kwam nog iets dichterbij. ‘Laten we onze ogen sluiten en denken aan de kus die er was geweest als we hier niet waren, ja?’

Zodra ik mijn ogen sloot duwde ze haar lippen op die van mij. Het was een lange kus. Toch nam ze veel te snel weer afstand. ‘Zo, dat houdt ons voorlopig wel even warm. Bel me.’

Ze duwde een kaartje in mijn hand en liep zonder om te kijken weg. Haast zwevend stapte ik in mijn auto en reed ik naar huis. Daar rook het naar Italiaanse kruiden en tomaat. Sebastian stond in de keuken met twee flessen wijn. ‘Rood of wit? Hoe was de training?’
Nog steeds een beetje zwevend ging ik aan de eettafel zitten. ‘Ik geloof dat ik verliefd ben.’

~

Uit mijn kontzak komt een melodie en zonder acht te slaan op de nieuwsgierige ogen van mijn familie neem ik op. Haar stem is warm en een beetje hees. In mijn buik beginnen duizenden vlinders te fladderen.

‘Hey! Ik was in beeld! Heb je me gezien? Het is hier geweldig!’
Ik zucht gelukzalig. ‘Ik zag je, waar ben je? Ik kom ook.’
Ze grinnikt. ‘Dat zou tijd worden.’

De verbinding wordt verbroken en in het berichtencentrum verschijnt haar locatie. Het is nog geen half uur rijden. Ik ren naar boven, graai mijn tas van het bed en hol weer naar beneden.

Mijn moeder staat bij de voordeur. ‘Wat ga je doen?’
Onder de enorme berg aan de kapstok zoek ik mijn jas. ‘Wat ik gelijk had moeten doen. Ik hou van je mam. Ik hou ook van haar. Ik denk dat je haar wel leuk vindt. Volgende week breng ik haar mee.’
Ik sta al buiten. Ze volgt me. ‘En Sebastian?’
‘Ik hou ook van Sebas en hij van mij. Hij houdt ook van jullie. Fijne verjaardag!’

Alleen om hen was ik voorzichtig, maar een heel klein beetje om Sebastian. Die schat was gewoon blij voor me. ‘Wat fijn voor je Sas, vertel me alles.’
En ik vertelde alles, ook al was er nog niet veel te vertellen. In bed lag ik tegen hem aan en vertelde ik het nog een keer en nog een keer. Ook later toen er veel meer te vertellen was en ik huilde omdat ik wist wat het betekende voor ons huwelijk. Mijn ouders huilden met me mee.

In de auto snelt mijn hart verlangend voor me uit en ik geef de vlinders alle ruimte. Het knipperende stipje op de routekaart komt dichterbij. Ik voel me licht en vrij en weet dat zij mijn thuis is. Met Sebastian is het warm, gemoedelijk en voorspelbaar. Met haar is het vuurwerk en zie ik de sterren. Geen dag is het zelfde. Ik miste het niet, nu kan ik niet meer zonder.

Amsterdam zit potdicht en ik parkeer ergens buiten het centrum. Nog geen half uur wordt ruim een uur, maar het stipje blijft knipperend staan. Ik laveer door de mensenmenigte richting de gracht. Hier ergens moet het zijn. Ik zie het kartonnen bord voor ik haar zie. Ze lacht, haalt haar vingers door mijn haren en fluistert. ‘Hey.’

Met een zucht leg ik mijn arm rond haar heupen en mijn hoofd op haar schouder. En hoe hard ik ook nadenk, ik kan geen beter antwoord bedenken.

‘Hey.’